OVV rapport Waterveiligheid

Dit artikel geeft puntsgewijs commentaar op onderdelen van het OVV rapport over de veiligheidsrisico’s door extreme regen. Kern van de boodschap van het OVV: Nederland is onvoldoende voorbereid op de huidige en toekomstige veiligheidsrisico’s door extreme regen.

Nederland staat wereldwijd bekend als de waterexpert: een land dat al eeuwenlang succesvol strijdt tegen het water en innoveert op het gebied van dijken, de Deltawerken en waterbeheer. Dankzij deze kennis en ervaring wordt vaak gedacht dat Nederland zijn waterbeheer goed op orde heeft. Toch staan we momenteel voor de volgende uitdaging.

Het is een misverstand dat Nederland de kennis en ervaring van waterveiligheid op orde heeft. Waterkundig Nederland als internationale handelsnatie houdt dit rooskleurige beeld graag overeind. Dit beeld wordt ook heel gemakkelijk geconsumeerd door de bevolking. Mogelijk ook een belangrijke reden waarom onze risicoperceptie relatief laag is.

De waterveiligheid wordt in NL feitelijk heel simplistisch benaderd. Zo hoogdravend is die kennis niet. Dank onze ligging hebben we per saldo weinig echte problemen. Overstromingen beperken we vooral met steeds hogere dijken. Extreme regen op stedelijke en landelijke gebieden levert vaak weinig problemen op omdat we in een vlak land leven. Wateroverlast kan zich verdelen over grote gebieden met relatief geringe waterdieptes waardoor schade beperkt blijft. Het gaat vaak mis daar waar sprake is van duidelijke hoogteverschillen en dat zien we terug in de voorbeelden in het OVV rapport.


Op het gebied van klimaatadaptatie, ontbreekt een breed gedragen gevoel van urgentie om daadwerkelijk maatregelen te nemen. Het gebrek aan urgentie kent meerdere oorzaken die elkaar versterken. Het risicobewustzijn bij de bevolking is laag. Tot op heden blijven de meeste extreme neerslaggebeurtenissen beperkt tot een specifieke wijk of stad (met uitzondering van Limburg 2021) en heeft er in Nederland (nog) geen ramp met dodelijke slachtoffers plaatsgevonden. Er lijkt daarmee nog geen sprake van een dreiging waartegen collectief maatregelen moeten worden genomen.

Het risicobewustzijn van de bevolking is laag. LOGISCH. Dat is een factor die niet zo relevant zou moeten zijn. Het is niet juist om hoge verwachtingen van betrokken bewoners te hebben, ze hebben immers geen verstand van de materie. Op het moment dat het risicobewustzijn bij de bevolking groot wordt dan zijn we al veel te laat om daar snel op te kunnen reageren.

Het motto is afwachten en hopen dat het meevalt. Mensen die bij een ramp niet direct worden getroffen willen graag geloven dat het uitzonderlijke situatie is waarop ze niet hoeven te reageren. Breed lering trekken uit dergelijke gebeurtenissen doen we niet. Mensen die denken of weten dat ze kwetsbaar zijn hebben vaak ook geen idee wat ze moeten doen om hun situatie effectief te beschermen.

Het voorbeeld van het ziekenhuis in Doetinchem laat zien dat al meerdere keren moet onderlopen om dat probleem serieus te gaan nemen. In dergelijke kleinschalige situatie hoef je geen deskundige te zijn om te bedenken dat een laag gelegen terrein kwetsbaar is.

Het risicobewustzijn van “deskundigen” is belangrijker maar effectief ook laag. Deskundigen zouden een lange termijn beeld moeten hebben.

De kans op extreme neerslag is relatief klein. In een situatie waar beschermingsmaatregelen worden gerealiseerd kan het zomaar tot jaren of tientallen jaren duren voordat deze praktisch op de proef worden gesteld. Dit betekent dat betrokkenen niet eenvoudig kunnen leren van fouten. Het treffen van maatregelen is kostbaar, kosten vaak veel ruimte die ook op een andere manier gebruikt kan worden. De drive om maatregelen te treffen voor gebeurtenissen die nog niet eerder zijn waargenomen is daardoor ook beperkt.


De natuurlijke waterbergings- en afvoercapaciteit van gebieden is door de verstedelijking door de jaren heen sterk verminderd.

Niet alleen in de landelijke gebieden is de waterbergings- en afvoercapaciteit verminderd, maar ook in de stedelijke gebieden. Het probleem van de bergingscapaciteit op straat is dat het een soort impliciete veiligheid is die niet herkenbaar is als een bergingsvoorziening en dus makkelijk verloren kan gaan bij bijvoorbeeld een herinrichting.

Door verdichting van de bebouwing en het betegelen van percelen moet er meer water door bestaande riolen worden afgevoerd. De levensduur van riolen ligt tussen de 70 en 100 jaar. De bergingscapaciteit van regenwater op straat is heel belangrijk bij het verwerken van extreme buien. Door het verwijderen van stoepranden en het verhogen van straatpeilen is die capaciteit drastisch verminderd. Vooral in winkelcentra is de bergingscapaciteit op straat vrijwel tot nul gereduceerd en de waterveiligheid volledig afhankelijk van een esthetisch gootje in de straat dat makkelijk verstopt kan raken. Water stroomt dan direct de winkels in.

Vanwege rolstoel toegankelijkheid zijn/waren de bouwpeilen van woningen gelimiteerd. Dit is/was een aderlating voor de bergingscapaciteit van extreme neerslaghoeveelheden.

Kleinschalige maatregelen op het gebied van klimaatadaptatie zijn het resultaat van pilots en andere initiatieven waarin partijen samenwerken. Verder realiseren gemeenten verschillende typen ruimtelijke inpassingsmaatregelen, zoals wadi’s en
parkeerplaatsen met half-verharding, die elk een beetje bijdragen aan veiligheid. Grootschalige ruimtelijke maatregelen, zoals rioolaanpassingen, waterbergingsgebieden en watergangen, blijven vooralsnog uit.

We werken aan gerommel in de marge zeer waarschijnlijk omdat we het grotere probleem niet kunnen overzien qua omvang, oorzaken en kosten. We mijden de uitdaging om problemen op te lossen en veronderstellen klakkeloos dat echte oplossingen per definitie te duur zijn. We richten ons op het verminderen van problemen die we al gezien hebben en hebben weinig oog voor extremere situaties.

Uit het onderzoek blijkt dat de belangrijkste risicofactoren intensiteit van de regen en de kwetsbaarheid van het gebied zijn. De kwetsbaarheid van het gebied is afhankelijk van de geografische ligging, menselijke ingrepen in het landschap,
verstedelijking, de aanwezige rioolstelsels en ook van de aanwezigheid van kwetsbare infrastructuur.

Traditioneel kijken we naar de intensiteit van de regen, met een stijgende tendens in de piekintensiteiten. Maar het effect van de toename van de omvang van regengebieden met hoge regenintensiteiten kan veel belangrijker zijn. De kans dat een gebied dat volledig wordt getroffen door een extreme bui neemt daardoor toe. De toename van de totale hoeveelheid neerslag op een gebied is dan vaak groter dan de toename van de piekintensiteit. Dit effect valt in regelgeving en analyses buiten beschouwing.

Het beleid is veelal vrijblijvend en procesmatig van aard. Klimaatbestendig en waterrobuust zijn bijvoorbeeld kernbegrippen in het nationale doel 2050, maar abstract geformuleerd en de tussendoelen zijn procesmatig van aard. Partijen hebben behoefte aan concrete doelen en hardere minimumeisen voor de aanpak van extreme regen. Gemeenten lijken bij nieuwbouw wel vaker aan burgers verplichtingen op te leggen, zoals minimale waterberging op eigen terrein voor burgers.

Concrete doelen en hardere minimum eisen, zijn wenselijk maar de effectiviteit en gevolgen daarvan zijn nauwelijks te overzien. Het is niet voor niets dat niemand daar zijn vingers aan wil branden.
Nieuwbouw biedt de mogelijkheid om met relatief eenvoudige middelen een grote waterveiligheid te realiseren. Hier zijn we veel te zuinig mee. Sterker nog, in het recente STOER rapport wordt gepleit om de waterveiligheid bij extreme buien nog wat verder uit te kleden, “om kosten te sparen”.
Gemeenten hebben er soms moeite mee om nieuwbouw veiliger te maken dan het bestaande bebouwde gebied, een soort gelijkheidsprincipe.

Burgers en bedrijven zijn zich onvoldoende bewust van veiligheidsrisico’s en ze zijn onvoldoende betrokken bij de beheersing ervan. Dat blijkt onder andere uit een in opdracht van de Onderzoeksraad uitgevoerde survey onder burgers naar hun risicoperceptie van extreme regen.

Er vrijwel niemand die nadenkt of wil nadenken over de gevolgen van extreme neerslag. Het is vergelijkbaar met het (niet)nadenken over een pensioenopbouw. Een struisvogelhouding is niet meer dan normaal. Pas als mensen of gebieden meerdere keren kort achter elkaar hard zijn getroffen dan kan het sentiment zich keren. Maar, de overheid had/heeft een taak om zich beter voor te bereiden op extreme neerslag en burgers beter en eerlijker te informeren.

Betrokkenheid van burgers en bedrijven is ook een voorwaarde voor het voldoende kunnen benutten van het potentieel van private grond ten behoeve van waterberging. Dat wordt nu onvoldoende gebruikt, terwijl dat wel nodig is. Het probleem van het bergen en verwerken van water dat valt bij een extreme regenbui is zo groot dat een gemeente dit niet alleen in het openbare gebied kan oplossen.

Dat is een ingewikkeld verhaal. Iemand die zijn huis probeert te beschermen met maatregelen zoals bijvoorbeeld boven- en ondergrondse waterberging, moet zijn perceel ook beschermen tegen toestromend water uit de omgeving. In een deelgebied moet je zoiets dus samen kunnen doen, waarbij dan iedereen meewerkt. Het moeten ook nog robuuste en herkenbare maatregelen zijn die niet zomaar weer verdwijnen omdat iemand zijn tuin anders gaat inrichten.

In hellend gebied werkt de solidariteit tussen burgers indirecter. Daar moet iemand boven aan de helling forse maatregelen treffen om mensen onder aan de helling te beschermen. Hoe gaan we zoiets goed en duurzaam regelen, dat is niet eenvoudig.

Vroegtijdige (weer) waarschuwingen blijven uit. Actuele (grond) waterstanden worden weinig gebruikt en gedeeld met partijen en vroegtijdige weerwaarschuwingen door het KNMI worden belemmerd door regelgeving.

Waarschuwen is een populaire maatregel. Toch moeten we daar niet al te veel van verwachten. Vooral in hellende gebieden gaan de afvoerprocessen erg snel. Het gaat dan niet perse om het beschermen van je woning maar meer om het voorkomen van slachtoffers. Zeker in Zuid-Limburg moet een waarschuwing ook nog grensoverschrijdend plaatsvinden.

Bij weerwaarschuwingen is het ook lastig om een goede indicatie te geven van de plek waar de (vaak lokale) extreme buien gaan vallen. Iets verderop kan betekenen dat je er niets van merkt.

Te vroeg waarschuwen betekent dus ook dat het vaker loos alarm zal zijn. Waarschuwingsmoeheid kan er toe leiden dat we niks doen als er een keer echt iets aan de hand is. Als mensen volledig gaan vertrouwen op waarschuwingen dan kan de waarschuwer in de problemen komen als hij er naast zit, denk aan derving van inkomsten als er onterecht is gewaarschuwd of juist extra schade omdat niet voldoende of te laat is gewaarschuwd.

Bij waarschuwingen gaat het niet alleen om het voorspellen van de extreme neerslag, bij uitstek een taak van een KNMI. Het vooral ook om de gevolgen ervan op de grond, en dat is geen taak van het KNMI. Het real-time berekenen van de gevolgen extreme neerslag moet veel serieuzer worden genomen dan nu het geval is. Dat is ook geen taak voor gemeenten.

De voortvarendheid die noodzakelijk is om op tijd goed voorbereid te zijn, zien we onvoldoende in de gedecentraliseerde aanpak. Dat ligt niet aan de deskundigheid van decentrale partijen. Waterschappen zijn de oudste bestuursorganen van
Nederland en bestaan al sinds de 13e eeuw. Zij bezitten een schat aan ervaring in waterbeheer. Nu door klimaatverandering vaker bovennormatieve of extreme weersomstandigheden plaatsvinden, wordt effectief handelen complexer en
onderlinge afhankelijkheden groter. De lokale en regionale samenwerking tussen partijen (gemeenten, waterschappen, projectontwikkelaars) is gebaat bij sturing op rijksniveau, die bindende normen en kaders stelt en concrete doelstellingen
formuleert.

Het is opmerkelijk dat wordt verondersteld dat decentrale partijen over voldoende deskundigheid beschikken. De waterschappen worden ook weer op een voetstuk gezet vanwege ervaring vanaf de 13e eeuw. De gemeenten krijgen vaak de zwarte piet. De deskundigheid bij de Waterschappen is de laatste jaren verder afgenomen, door schaalvergroting en uitbesteding van werkzaamheden.

Voor wat betreft nieuwbouw is het opvallend dat een aantal gemeenten blijft bouwen op klimaatkwetsbare locaties, ondanks een toenemend besef van de risico’s.

In Zuid Limburg zijn nog niet zo lang geleden woningen gebouwd in de uiterwaarden van de Geul. Het geluid is dan vaak dat de waterdeskundigen niet aan tafel zaten. Een kleine gemeente heeft die deskundigheid niet en het Waterschap heeft dat ook laten gebeuren.

Deze kostenverhoging van klimaatadaptatie weegt op de lange termijn op tegen de baten van veiligheid. Het belang om op korte termijn meer betaalbare woningen te bouwen concurreert hier met het belang dat die woningen (ook) op lange termijn klimaatbestendig en waterrobuust zijn.

Dit wordt eenvoudig geponeerd als waarheid. Hier kunnen we vraagtekens bij zetten. Als die kosteneffectiviteit zo duidelijk was dan was daar wel meer aandacht aanbesteed. Bij klimaatadaptatie gaat het om kosten waar mogelijk de volgende bewoners pas van gaan profiteren. Daar komt nog bij dat klimaatadaptieve voorzieningen in de loop van de tijd ook weer teniet kunnen worden gedaan zonder dat mensen dat in de gaten hebben. Denk aan ruimte voor water die jaren later volgebouwd wordt met woningen.

Bij bestaande bouw zijn gebouwen en wijken ontworpen voor een ander klimaat dan dat van nu en de toekomst. Bestaande wijken, straten, riolen en gebouwen zijn niet berekend op piekbuien met zoveel water in korte tijd.

Dit lijkt logisch maar dat is het niet. Wat is bestaande bouw? In de tijd van de stoepranden kon een stedelijk gebied meer water op straat bergen terwijl er ook meer ruimte was voor infiltratie van regenwater in de grond. De ontwikkeling van het anticiperen op extreme neerslag heeft ongeveer 20 jaar op zijn gat gelegen. Wateroverlast was geen item, we waren druk met de vuiluitworp uit de riolering.

Er zijn technische, financiële, ruimtelijke en maatschappelijke grenzen aan adaptatie. Er moet dus ook aandacht zijn voor monitoring, vroegtijdige weerwaarschuwingen, noodplannen en een robuuste crisisrespons, zodat de samenleving beter is voorbereid op situaties waarbij de grenzen van het waterbeheer ondanks alle inspanningen toch worden bereikt.

In een periode kort na een ramp is die weerbaarheid van de samenleving goed te organiseren. Het probleem is echter dat dit uitdooft als de volgende ramp te lang op zich laat wachten. Daar waar er regelmatig problemen zijn is het eenvoudiger om alert te blijven.

De Wetenschappelijke Klimaatraad pleit voor het eenduidig beschikbaar maken van informatie over de klimaatrisico’s van woningen, wijken en woonplaatsen. Mensen kunnen met deze informatie beter begrijpen wat ze kunnen verwachten, en daar beter naar handelen bij de locatiekeuze en inrichting van een woning. Dit vergroot enerzijds het waterbewustzijn en geeft anderzijds handelingsperspectief.

Dit is een heel belangrijk punt. Hier gaat het vooral om de kwaliteit van de informatie. Ondertussen zijn er al een flink aantal soorten risicokaarten waarvan vaak helemaal niet duidelijk is wat de informatie voorstelt. Een kaart is een voor de hand liggend maar ook beperkt middel om zichtbaar te maken wat er in een situatie aan de hand is.

De informatie wordt ontwikkeld door marktpartijen. De kwaliteit van de informatie is vaak beperkt doordat daar te weinig energie in wordt gestoken, kan worden gestoken. Hier missen we de centrale kracht van een toonaangevend instituut die deze informatie ontwikkelt.

We hebben behoefte aan kwalitatief hoogwaardige rekenmodellen die diepgaand zijn en regelmatig worden getoetst aan een breed scala aan praktijkomstandigheden. Met dergelijke modellen kunnen we steeds beter laten zien waar en hoe de risico’s ontstaan. Ook in een noodsituatie hebben we dergelijke modellen nodig om waarschuwingen en noodmaatregelen beter te coördineren.

De toename van extreme regen gaat echter sneller dan de huidige uitvoeringspraktijk kan bijbenen.

Vreemde redenering om misschien goed te praten dat we al decennia gefaald hebben om te anticiperen op extreem weer.

Van de Rijksoverheid verwacht de Onderzoeksraad meer centrale sturing. Er zijn handreikingen, richtlijnen, studies en stimuleringssubsidies, maar nog weinig verplichtingen op het gebied van klimaatadaptie, daar waar dat gezien de kwetsbaarheid van de locatie wel nodig zou zijn.

Meer centrale sturing is zeker noodzakelijk. Meer concrete verplichtingen zijn ook zeer wenselijk. Het is onwenselijk dat de afweging van veiligheidsrisico’s volledig decentraal worden gemaakt waarbij de kwaliteit van de afweging per situatie kan verschillen.

En nu ?
Volgens de EVV rapportage draait het om risicoperceptie en betrokkenheid burgers en de trage minimale uitvoering van maatregelen als gevolg van het gebrek aan duidelijke regelgeving. Het gebrek aan kennis en ervaring zou minder belangrijk zijn terwijl daar juist kern van het probleem zit. We besteden veel aandacht aan de ontwikkeling van de klimaateffecten maar steken weinig energie in de veiligheidsrisico’s van de impact op gebieden.

De impact van extreme neerslag op gebieden zou veel nauwkeuriger moeten worden berekend bijvoorbeeld met een nationaal rekenmodel. Het gaat er niet alleen om periodiek de effecten van een stresstest te bepalen. We moeten de impactberekening van extreme buien in de eerste plaats toetsen met historische buien. Na elke extreme bui op een gebied wordt het model verbeterd en verfijnd aan de hand van praktijkwaarnemingen. Deze benadering overstijgt het kennisniveau van de meeste gemeenten en waarschijnlijk ook waterschappen. Het verdient aanbeveling om hiervoor een waterveiligheidsinstituut op te richten.

Met dat impactmodel kunnen we de effecten van extreme buien eenduidiger in beeld brengen, vooral ook richting burgers en bestuurders. Dat impactmodel speelt ook een belangrijke rol in het afgeven van veiligheidswaarschuwingen voor gebieden. En dat impactmodel is de basis voor het ontwikkelen van maatregelen ter verbetering van waterveiligheid. Aan de ontwikkeling van het impactmodel kan worden gewerkt door een groep van specialisten die kunnen leren van het toetsen van de theorie aan de praktijk. Die specialisten stemmen intensief af met gemeenten en waterschappen die over de gebiedskennis beschikken. Na een extreme gebeurtenis moet zoiets zo snel mogelijk plaatsvinden om de beste informatie boven water te halen.

Het begrijpen van hoe een omgeving werkt, waar precies de knelpunten werkt waarschijnlijk veel effectiever naar een waterveilige situatie. Doelen stellen met een generieke werking zorgen ervoor dat je teveel doet op plekken waar het niet nodig is en te weinig op plekken waar het juist hard nodig is.
Duidelijke en betrouwbare informatie is een belangrijke basis voor de communicatie met bijvoorbeeld burgers. Voor een zinvolle discussie met mogelijke oplossingen is een rekenkundige onderbouwing van de effecten en kosten essentieel.

Last Updated on 2026-02-09 16:55 by harrr