Interpreteren infiltratieproeven

Beoordeling resultaten infiltratieproeven
Aan de leegloopmeting van een infiltratievoorziening zie je niet zoveel. Je krijgt vooral een indruk hoe lang de lediging van de voorziening duurt. Dat wordt dan automatisch teruggekoppeld naar die magische grens van 24h. Wat kunnen nog meer wijzer worden?

Voor een meting heb je bij voorkeur een referentie nodig:

  • Nulmeting: Daarmee kan je de verandering van de lediging controleren over een periode van meerdere jaren. Aan het verloop van de lediging van de voorziening kan je zien of bijvoorbeeld de bodem van de voorziening meer vervuild is geraakt.
  • Locaties: Door metingen uit te voeren op meerdere locaties en onder vergelijkbare omstandigheden kan je zien hoe de werking wordt beïnvloed door de omgeving. Bijvoorbeeld de vegetatie in een straat kan de vervuiling van een voorziening bevorderen.
  • Reinigen: Door metingen uit te voeren voor- en na reinigen van een voorziening kan worden nagegaan hoe effectief een reinigingstechniek is. Het heeft alleen zin om te kijken naar het verbeteren (versnellen) van de leegloop van een voorziening. In goed functionerende voorzieningen heeft dat weinig zin.
  • Simulatie: Door een meting te vergelijken met een berekening kan je de gemiddelde doorlatendheid van de buiswand bepalen, bijvoorbeeld in een wandzone en een bodemzone. Met het rekenmodel van de voorziening kan van worden bepaald hoe vaak de voorziening overbelast en hoeveel water er in de ondergrond infiltreert.
  • Doorlatendheid wand: Door de wand(hoogte) van een voorziening in segmenten te verdelen kan aan de hand van een meting, de (delta)doorlatendheid per wandsegment worden bepaald. Het resultaat is vaak dat de doorlatendheid van het onderste segment van de voorziening duidelijk kleiner is dan van het bovenste segment. Een normaal gedimensioneerde voorziening raakt maar een paar keer per jaar vol, terwijl de bodem van een voorziening tientallenkeren per jaar moet werken. Het verschil tussen de (delta)doorlatendheid boven en onderin de voorziening zou misschien een maat kunnen zijn voor de mate van vervuiling van een voorziening.

Een nulmeting kort na aanleg van een voorziening is een must ! Dat is meest belangrijke referentie. Ook als je gaat kijken naar verandering van de doorlatenheden van de wandsegmenten dan is een nulmeting ernaast van grote waarde. Een nulmeting laat je ook zien of een voorziening is vervuild en in welke mate. Pas bij een echt vervuilde voorziening is het relevant om naar het effect van reinigen te gaan kijken.

Het functioneren van infiltratievoorziening kunnen we dus als volgt karakteriseren:

  1. Leegloopduur met als eindtijd volledig leeg of bijvoorbeeld 10% vulling. Alleen de hele schone buizen lopen snel helemaal leeg. Als de bodem een beetje vervuild is geraakt dan kan die laatste 10% fors lang duren.
  2. Leegloopduur tot 25% vulling geeft waarschijnlijk een handzamer getal om verschillende metingen in de tijd en van verschillende voorzieningen onderling te vergelijken.
  3. De gemiddelde doorlatendheid van de wandzone en de bodemzone. Dit zijn de doorlatendheden waarmee simulatie van de leegloop vrijwel hetzelfde verloop heeft als de meting. De grootte van de bodemzone in een ronde leiding hangt af van de vervuiling.
  4. De (delta)doorlatendheid van de wandsegmenten van de voorziening. De vergelijking van segmenten rond de 30% en 80% vulling geven mogelijk ook een indicatie van de mate van vervuiling van de voorziening.

Voor alle indicatoren geldt dat de ontwikkeling in de tijd interessant is. Daarnaast is ook de vergelijking van metingen op verschillende locaties en onder verschillende omstandigheden belangrijk.

Arnhem – Ede

In Arnhem geeft Grontmij aan dat metingen in het najaar andere resultaten geven dan in de zomer. In Ede is het verschil tussen een meting onder droge en natte omstandigheden ook heel duidelijk. Ook het optreden van (schijn)grondwaterstanden is iets om in de gaten te houden. In Ede hebben 3 van de 4 locaties min of meer vergelijkbare resultaten, terwijl locatie 4 een duidelijk langere leegloopduur laat zien. Bij die proeven zijn ook waterstanden rond de voorziening gemeten en lijken bij locatie 4 ook van invloed te zijn op de lediging van voorziening.